Zwak-burgerlijk en laf-lief levend Bussum,
Dat zijt een speel-vertrek voor slechte kinderen,
Daarheen verwezen, wijl zij dan niet hinderen
Konden de echt-grote mensen. Zeg eens, lust je ‘em,

Dees donderende vuist? Ik zie, je kust hem,
Schijn-heilige gezichtjes en verslinderen
Van al wat echt in mensborst is. Kom, sust je ‘em,
Uw toorn maar, kleine toorn, die niets dan hinderen

Kan aan uw eigen sufferige leventje
Van zoetlijk-bedrijf’ge daagjes en slaperig
Door-gezeurde avondjes, waar elk met gaperig

Gebaar iets tracht te zeggen van zijn streventje,
Dat niets was als een spelletje, o klein volkje,
Dat ras verdwijnen zal als een ijl wolkje.

Willem Kloos, 24 oktober 1893